kinderalimentatie

Kinderalimentatie

Alimentatie

Alimentatie is de naam voor de bijdrage die wettelijk verplicht is om te voorzien in levensonderhoud in geval van een verzorgingsbehoefte van kinderen en/of een ex-partner.
Onderscheid wordt gemaakt tussen partneralimentatie en kinderalimentatie. De kinderalimentatie gaat vóór de partneralimentatie. Dat betekent dat als er niet voldoende draagkracht is om beide te voldoen, de kinderalimentatie voor gaat op de partneralimentatie.
Van partneralimentatie is sprake als een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt beëindigd. Dit vloeit voort uit de wederzijdse onderhoudsverplichting die is vastgesteld in de wet. De hoogte van de alimentatie is niet wettelijk vastgelegd. Wel zijn er normen vastgelegd in het Rapport Alimentatienormen (het zogenaamde Tremarapport) van de expertgroep alimentatienormen. Deze Tremanormen dienen als leidraad (richtlijn) voor de vaststelling van de alimentatie, naast andere argumenten van betrokkenen. De rechter maakt de afweging of betrokkenen zelf (mediation).



Kinderalimentatie


Kinderkosten/kinderbijslag en kindgebonden budget

De kinderkosten worden uitgesplitst in de gewone kinderkosten (eten, drinken, gas-water-licht) en bijzondere kinderkosten (alle andere kosten, zoals kleding, hobby’s, schoolkosten).

De kinderbijslag is een vergoeding vanuit de overheid om te voorzien in de bijzondere kinderkosten. Het kindgebonden budget is een vergoeding vanuit de overheid om het inkomen van de alleenstaande ouder te verhogen om te kunnen voorzien in de gewone kinderkosten.

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie wordt door een rechter enerzijds rekening gehouden met de zogenaamde ‘Tremanormen’ als richtlijn en anderzijds met de argumenten van de ouders omtrent de werkelijke kinderkosten, inkomsten en uitgaven van de ouders.

In plaats van de rechter de afweging te laten over wat redelijk en billijk is, maken de ouders in mediation zelf hun afweging. Daarbij worden ook de Tremanormen als richtlijn genomen. Daarnaast kunnen de ouders de uitkomsten daarvan toetsen aan de hand van de werkelijke kinderkosten, en werkelijke inkomsten en uitgaven.

Tremanormen

De Tremanormen geven een normbedrag voor de totale kinderkosten (zonder uitsplitsing in gewone en bijzondere kinderkosten), afgeleid uit jarenlang Nibud onderzoek naar wat ouders gemiddeld aan hun kinderen uitgeven.

Uitgangspunt bij de Tremanormen is dat de behoefte van de kinderen afhankelijk is van het welstandniveau van het gezin en dat het welstandniveau van de kinderen na de scheiding zoveel mogelijk dient te worden gehandhaafd.

Het welstandsniveau hangt af van het gezinsinkomen (gezamenlijk bruto inkomen van de ouders) en van het aantal kinderen in het gezin. Soms moet het bedrag worden verhoogd met bijzondere kosten, zoals bijvoorbeeld kosten van topsport.
Uitgangspunt is het gezamenlijk bruto gezinskomen op jaarbasis, incl. vakantiegeld en (gemiddelde van de) bonussen/toeslagen voor zover deze op regelmatige basis worden verstrekt.

Hoe zit het met vermogen?
Vermogen blijft in principe buiten de alimentatieberekening. Alleen inkomen geldt als grondslag voor de berekening.
Als vermogen rendeert, levert het wel inkomen op. Denk aan renten of aan huurinkomsten. Deze inkomsten behoren tot het inkomen van een alimentatieplichtige of alimentatiegerechtigde net als salaris. De Tremanormen stellen de rente vast op een fictief rendement van 4%, zoals ook de Belastingdienst dat doet voor het box III vermogen. Aangezien de rentestand thans buitengewoon laag is, wordt in de rechtspraak momenteel gerekend met lagere percentages.
Hoofdregel is dus dat vermogen buiten beschouwing wordt gelaten. Onder specifieke omstandigheden kan het zo zijn dat van de alimentatieplichtige en/of alimentatiegerechtigde toch verwacht mag worden in te teren op vermogen. Dan wordt dus niet enkel rekening gehouden met rendement uit vermogen, maar ook met het vermogen zelf. Voor de alimentatieplichtige betekent dit bijvoorbeeld dat hij een huis moet verkopen of spaargeld moet opnemen om daarmee kinderalimentatie en/of partneralimentatie te voldoen. Ook de alimentatiegerechtigde moet soms interen op vermogen en bijvoorbeeld spaargeld aanspreken om daarmee in de kosten van levensonderhoud te voorzien.
Onder welke feiten en omstandigheden moet worden ingeteerd op vermogen is lastig aan te geven. Het hangt vooral af van de financiële posities van de ex-partners of dit van (een van) hen gevergd kan worden.
 
 

Werkelijke kinderkosten en werkelijke inkomsten en uitgaven.

In de praktijk blijkt dat het niet altijd lukt om eenzelfde welstandniveau te kunnen handhaven bij het voeren van twee huishoudens. Ook het verschil in (vaste) lasten maakt dat er feitelijk verschil is in het (netto) beschikbaar inkomen voor de kinderkosten. Daarnaast ontvangt soms maar één van beide ouders kindgebonden budget.

Het is dus belangrijk om de werkelijke (toekomstige) financiële situatie inzichtelijk te krijgen, bijvoorbeeld door het invullen van budgetlijsten met daarin alle inkomsten en uitgaven uitgesplitst.

De ouders zijn vrij om af te spreken of bij het bepalen van het beschikbare inkomen uitgegaan wordt van ieders netto inkomen en/of rekening wordt gehouden met vaste lasten of met vaste en variabele lasten. Ook is onderhandelbaar of het resterende saldo gelijk moet zijn of in een bepaalde verhouding (degene die meer werkt of meer verdient mag meer overhouden?).


De werkelijke kinderkosten kunnen toenemen naarmate de kinderen ouder worden. Meestal wordt daarom afgesproken jaarlijks de kinderkosten en/of de hele berekening opnieuw na te lopen op wijzigingen.




Fiscale consequenties

Kinderalimentatie is fiscaal neutraal. De ontvangen alimentatie hoeft niet te worden opgegeven en de betaalde alimentatie is niet aftrekbaar.

Fiscale faciliteiten

Sinds 1 januari 2015 gelden enkel nog de volgende regelingen ter tegemoetkoming in de kosten van kinderen:

Voor de specifieke bedragen, voorwaarden en proefberekeningen wordt verwezen naar www.belastingdienst.nl.

1. Kinderbijslag

De kinderbijslag is een toeslag van de overheid welke is bedoeld voor het voorzien in de zogenaamde bijzondere kinderkosten (kleding, sport e.d.).
De instantie die de Kinderbijslagwet uitvoert -de Sociale Verzekeringsbank (SVB)- betaalt de kinderbijslag uit aan degene bij wie de kinderen staan ingeschreven.
De SVB gaat er bij co-ouderschap van uit dat het kind tot de huishoudens van beide ouders behoort. Daardoor hebben zij allebei recht op de helft van de kinderbijslag. De SVB vraagt de ouders aan wie de kinderbijslag moet worden uitbetaald. Vervolgens regelt u zelf hoe u het geld onderling verdeelt. De SVB kan het bedrag ook zelf verdelen, maar betaalt de kinderbijslag bij voorkeur aan één ouder uit. Je kunt echter ook middels een daarvoor bestemd formulier aangeven dat de kinderbijslag op een gezamenlijke (kinder)rekening gestort moet worden.

2. Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een extra bijdrage van de overheid aan alleenstaande ouders om het inkomen te verhogen en daarmee in de zogenaamde gewone kinderkosten (huisvesting en levensonderhoud) te kunnen voorzien.

Met de uitspraak van de Hoge Raad – het hoogste rechtscollege van Nederland - van 9 oktober 2015 is er eindelijk duidelijkheid over kinderalimentatie voor alleenstaande ouders. De Hoge Raad heeft namelijk beslist dat het Kindgebonden budget niet in mindering dient te worden gebracht op de kosten van een kind, behoefte genaamd in juridische bewoordingen, maar dient te worden opgeteld bij het inkomen van de alleenstaande ouder.

Het kindgebonden budget wordt door de Belastingdienst uitgekeerd aan degene op wiens adres de kinderen staan ingeschreven en die de kindertoeslag ontvangt.
Wanneer er twee of meerdere kinderen zijn kunnen partijen ervoor kiezen om op elk adres één kind in te schrijven en ieder apart kindgebonden budget aanvragen.
Degene met het laagste inkomen zal het meeste kindgebonden budget kunnen ontvangen.

Uiteraard kan in onderling overleg anders worden overeengekomen, bijvoorbeeld om het optimale bedrag aan te vragen en het te verdelen over de beide ouders, al dan niet gelijk.

3. Inkomensafhankelijke combinatiekorting

Om in aanmerking te komen voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting moet bij de Basisregistratie Personen een kind van jonger dan 12 jaar langer dan 6 maanden in een kalenderjaar staan ingeschreven op uw woonadres. Het maakt niet uit of het uw eigen kind is, of een kind van uw fiscale partner.
 
 

4. Kinderopvangtoeslag

De hoogte van de kinderopvangtoeslag hangt af van de hoogte van uw inkomen, het aantal kinderen en de soort opvang. U kunt per kind voor maximaal 230 uur per maand kinderopvangtoeslag krijgen. Er geldt ook een maximumuurtarief.

Beide ouders kunnen kinderopvangtoeslag krijgen bij co-ouderschap. Ieder voor het eigen deel van de kosten. Als co-ouders kunt u samen kinderopvangtoeslag krijgen voor maximaal 230 uur per kind per maand.


5. Fiscale optimalisatie


  1. Heeft u meer kinderen? Verdeel de kinderen 'op papier' over beide huishoudens. Dit vergroot de kans dat beide ouders in aanmerking komen voor sommige regelingen.
  2. Heeft u één kind? Schrijf het kind in op het adres van de ouder met het laagste inkomen. Dit vergroot de kans om aanspraak te maken op regelingen of op een hoger bedrag. U kunt deze bedragen zelf onderling verrekenen.



Einde kinderalimentatie: bijdrage in levensonderhoud en studie

Kinderalimentatie geldt totdat een kind 18 jaar oud is geworden.
Voor kinderen van 18 tot 21 jaar is er een wettelijke verplichting om te voorzien in een bijdrage in levensonderhoud en studie. Vaak komt het bedrag overeen met de kinderbehoefte die gold tot 18 jaar.  In de Wet Studiefinanciering is een berekening opgenomen voor de ouderlijke bijdrage die verlangt wordt in het kader van de studiefinanciering.
Het kind is nu degene die dit bedrag bij de ouders moet vorderen. De ouders dragen bij naar evenredigheid van inkomen, waarbij de (verhoogde) partneralimentatie dan bij het inkomen geteld wordt.
Het percentage waarmee de alimentatie wordt verhoogd, wordt door de minister van Justitie jaarlijks bepaald. De minister houdt o.a. rekening met de loonstijgingen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) stelt vervolgens het percentage vast.